Een warmvoelende familiedynamiek – Lara in een pittoresk dorpje aan de Kaspische Zee, Iran

De omgeving vanaf het balkon.
De omgeving vanaf het balkon.

‘Probeer zachtjes te doen,’ fluisterde mijn gastvrouw met haar wijsvinger tegen de lippen. Ik sloop door de deuropening met haar broer, die mijn rugzak in zijn armen hield, in mijn kielzog. 

Een halfuur eerder, rond middernacht, was ik met een taxi aangekomen op het dorpsplein. De twee leunden er tegen hun grijze auto en waren in gesprek met een voorbijganger. Op hun Couchsurfingprofiel had ik geleerd dat mijn gastvrouw met haar ouders, echtgenoot en jongere broer in hun ouderlijk huis op het platteland van Mazandaran woonde. Een van hun foto’s was een groepsfoto: het gezin, volledig bestaande uit blonde, blauwogige Perzen, keek lachend in de cameralens. 

‘Ik ga alvast naar bed,’ zei haar broer, en hij stapte over de leuningloze trap naar boven. 

Mijn gastvrouw stond te rommelen in de keuken, en er klonk geluid van rinkelende glazen en de zwoesj van een gasvlam die werd aangestoken. Vervolgens verscheen ze met een dienblad met twee glaasjes thee. Ze liep voor me uit naar de bovenverdieping, waar het voltallige gezin op slaapmatjes voor de airconditioner lag te slapen. Voorzichtig opende ze de glazen deur naar het balkon. 

De buitenlucht rook zoet naar de aankomende fruitoogst, en de bossen gonsden van de krekels. Aan de muur hing een flikkerende lantaarn waaromheen wat motten fladderden. Wolken dreven loom door de nachtelijke hemel en onthulden de maan in het eerste kwartier. We praatten over koetjes en kalfjes en nipten ondertussen uit de glaasjes thee. Het èchte kennismaken zou later wel komen. Niet veel later trok mijn gastvrouw zich terug naar het slaapmatje waarop ook haar echtgenoot lag. Ik wandelde door het donker naar de logeerkamer die ze mij eerder had toegewezen en legde mij neder op het matras op de vloer. 

De volgende ochtend vroeg scheurde ik op een motor, achterop bij haar broer, door de bossen van het Iraanse noorden. Ik kneep mijn ogen stijf dicht toen een vlaag stof in mijn gezicht woei. Ik klemde mijn armen stevig om zijn middel en drukte mijn hoofd tegen zijn rug terwijl hij het gaspedaal nog verder indrukte. De motor vloog haast over de smalle bospaadjes door de met bos begroeide heuvels. Mijn gastvrouw, een begenadigd coureuse, haalde ons in. Modder spatte vanonder haar wielen in de lucht. Haar lange, blonde vlecht bungelde vanonder haar helm op haar rug. Toen we eenmaal bij een afgelegen, hooggelegen stuk bos waren aangekomen, zette ze haar motor tegen een boom: het was tijd voor het ontbijt. Ik ging in het gras zitten en plaatste mijn helm naast me op de grond. 

Iraniërs zijn dol op picknicken, wist ik inmiddels. Ik zag regelmatig picknickende gezelschappen onder een boom in het park of op de grond naast een schilderachtig stukje autoweg. In plaats van een picknickkleed hadden ze dan vaak een Perzisch tapijt bij zich, opgerold meegedragen op de schouders. Nu was een dergelijk weefwerk meenemen op de motor lastig, vandaar dat de echtgenoot van mijn gastvrouw een geruit picknickkleed had meegebracht en nu in het gras uitspreidde. Haar broer ritste zijn rugzak open en plaatste het proviand op het kleed: vers lavasjbrood dat nog warm was, omelet met tomaat en een glazen fles zelfgestookte roze aardbeienwijn. 

Halverwege de maaltijd ging de echtgenoot liggen. Hij staarde naar de wolken, en aaide ondertussen over het lange haar van zijn vrouw èn, tot mijn verbazing, ook dat van haar broer. Ik keek toe hoe hij met zijn handen over de schouders en borst van de jongeman streek. Ik probeerde niet te staren en bewonderde in plaats daarvan de natuur, die me zeer aan de bossen bij Kasteel Groeneveld in Baarn deed denken. Maar dan met heuvels, natuurlijk.

‘Weet je, Lara-djoen,’ begon hij, ‘de band met mijn vrouw is niet alleen op liefde gebaseerd: we zijn ook neef en nicht.’ 

‘Klaar met je toespraak?’ giechelde zijn echtgenote, en ze werd overrompeld door een gepassioneerde kus van haar echtgenoot tevens neef.

Vervolgens opende die zijn mond en begon luidkeels aan een volksliedje in het lokale Oostelijk Gilakisch, gesterkt in zijn helaas ten onrechte vermeende zangkwaliteiten door de zelfgestookte aardbeienwijn. Vervolgens besloot hij me in te wijden in de kunst van tarof. Tarof mocht dan wel Iraanse sociale etiquette zijn, begon hij, maar het was zo veel meer dan dat: het was een levensstijl. ‘Iraniërs nodigen je waarschijnlijk de hele dag uit bij hen thuis, toch? Of ze bieden je thee aan?’ (De doorsnee Iraniër draagt deze te allen tijde bij zich in een thermoskan, leek het mij.)

Ik knikte.

Zeg nou zelf, deze omgeving lijkt toch niet niet op Groeneveld?
Zeg nou zelf, deze omgeving lijkt toch niet niet op Groeneveld?

‘Traditionele Iraniërs, zoals wij,’ en er klonk blij gelach van de drie warmvoelende zielen, ‘vinden het dan beleefd als je drie keer weigert voordat je zo’n aanbod aanneemt.’ Hij benadrukte dat ik, Lara-djoen, beslist moest onthouden dat dit niet enkel zo was bij persoonlijke interacties. Zelfs winkelbediendes en taxichauffeurs zouden soms weigeren mijn geld aan te nemen totdat we beiden aan een uitgebreid taroftoneelstuk hadden deelgenomen. 

Hij zweeg even voor een lachpauze van de luisteraars en uiteraard een kortstondige vrijpartij met zijn echtgenote. ‘Wees ook voorzichtig met het complimenteren van persoonlijke eigendommen,’ ging hij vervolgens verder, ‘want voor je het weet drukken ze het in je handen. Ik hoef je natuurlijk niet te vertellen dat ze dat niet ècht menen. Dat je dus niet naar buiten loopt met hun spullen, bedoel ik.’ En als ik mij ooit in de traumatische positie van de rekening betalen zou bevinden, waarschuwde hij, moest ik onthouden dat iedereen zou doen alsòf ze de rekening wilden betalen. Ze zouden dingen zeggen zoals ‘ik ben je onwaardig’ en ‘ik ben vuil onder je voeten’. 

Tarof vertaalde slecht, merkte ik. Later zouden willekeurige Iraniërs die ik net ontmoet had, mij de bizarste zaken mededelen, van lege stoelen die na mijn vertrek waren achtergebleven tot hoe warm mijn adem wel niet was. Volgens deze man hier kwam het allemaal neer op dat ze mij dan een aardig persoon vonden en me misten. Ik kon altijd gewoon antwoorden met: ‘Chohesj mikonam, graag gedaan.’

Pas toen we later die middag het erf opreden, had ik de gelegenheid de boerderij eens goed te bekijken. Het huis stond op een lap grond en werd omringd door heuvels, bedekt met een betoverend mooie lichtgroene bosdeken. Voor het huis lag een boomgaard met kiwi-, perzik- en citroenbomen, hun takken vol rijpe vruchten. Naast de poort stond een kas met zaailingen die voor een lokaal tuincentrum werden gekweekt. Daar weer achter stond de schuur, waarin kwartels werden gehouden. Een illegale maar gedoogde herdershond lag in de moestuin te slapen. 

Volgens de Iraanse wet zijn honden verboden als huisdier. Dit op gezag van enkele obscure hadithinterpretaties die stellen dat hondenspeeksel onrein is. Een voorwerp dat in contact is gekomen met hondenspeeksel dient dan ook zevenmaal gewassen te worden. Met enige regelmaat worden honden vergiftigd door moraalpolitieagenten, wat dan tot rellen leidt onder de omstanders. 

Naast het bestieren van de boerderij was het hele gezin vaardig in het timmermansambt; het huis stond vol ambachtelijk vervaardigd houtsnijwerk. Het diner zou die avond plaatsvinden aan zo’n handgesneden, houten tafel. Net toen ik een hap rijst met ghorm-e sabzi – een stoofpot van rundvlees, groene kruiden en borlottibonen – in mijn mond wilde steken kwam het gesprek op religie. De moeder van mijn gastvrouw begon aan een anekdote over haar man. Ze begon bij voorbaat al te schateren en kwam amper nog uit haar woorden.

‘Mijn man moest eens, zoals gebruikelijk is bij ons, een vergadering opening met een Koranvers. Hij hoefde alleen de Fatiha, het openingsvers, te doen, maar hij kende het totaal niet. Hij stond finaal voor joker!’ gilde ze terwijl ze hikkend op de tafel sloeg. (Deze uitspraken zijn door mij vrij vertaald.) 

Haar man lachte schaapachtig en probeerde zich in gebroken Engels te verdedigen. 

Zijn vrouw was intussen opgestaan en legde een vers-geoogste honingraat met wat vellen lavasjbrood, bij wijze van dessert, op tafel. 

‘Ja, ik ken dat boek nog wel van mijn jeugd. Dit is honing van onze eigen bijen, trouwens. Een huwelijkscadeautje voor die twee daar,’ en ze wees naar haar dochter en dier echtgenoot, ‘van de schoonfamilie. Kijk uit dat je het velletje papier tussen beide honingraten niet scheurt, ja precies, nee, nee… oké, je hebt het gescheurd, Lara, maar dat is niet erg. Blijf maar aan het oppervlak van de raat. Maar dat openingsvers, die gaat natuurlijk van…,’ en ze begon in Koran-Arabisch met een zwaar Perzisch accent: ‘… in naam van God, de Barmhartige… de Barmhartige…’ 

‘… de barmhartige Erbarmer,’ vulde ik aan.

‘Je bent net een Arabier,’ schaterde ze terwijl ze achter haar zoon ging staan en haar handen op zijn schouders legde. ‘Azizam, zou jij even de insectenlamp in Lara’s kamer kunnen vervangen? Ik kan natuurlijk niet toelaten dat onze gast wordt lekgeprikt door muskieten.’

‘Na jou,’ zei hij galant, en ik liep voor hem uit naar boven. Hij klikte het licht aan en ging de logeerkamer binnen. Ik leunde tegen de houten kledingkast terwijl hij aan de slag ging met het kartonnetje van de insectenlamp. Het raam was afgeschermd met muggengaas en stond wijdopen. De broeierige warmte en het gegons van de krekels stroomde naar binnen.

Ik liet mijn ogen door de kamer gaan. Mijn blik bleef rusten op de kaft van To the Lighthouse die uit mijn rugzak stak. Een secondelang voelde ik een steek van heimwee. Mijn blik werd vertroebeld door terugblikken naar romantisch wuivende dadelpalmen, schitterende zoutmeren en toen plotseling de onaangename verschijning van een aanrander in een vosbruine galabiyya.

‘Klaar!’ klonk naast me, en ik kwam weer bij. 

Ik vond zijn blauwe ogen recht voor me. Hij stond zo dichtbij dat ik zijn zweet kon ruiken.

Kissing?’ lispelde hij.

Een picoseconde lang dacht ik erover, gemotiveerd door avonturistische principes, op zijn aanbod in te gaan, maar besloot hem toen toch maar, maagdelijk ontzet, met een ongemakkelijke ‘nee, bedankt, het spijt me,’ de deur te wijzen. Voor ik ging slapen barricadeerde ik de slaapkamerdeur met mijn blauwe rugzak. De volgende ochtend verscheen ik met vuurrode wangen aan het ontbijt.

Gelukkig zou ik genoeg afleiding krijgen, want ik zou helpen met het boerenwerk. Na het ontbijt sloeg ik een manteau om, hing een sjaal om mijn nek en liep dik ingepakt naar buiten. Het was verzengend heet en vochtig, en de krekels leken die dag extra hard te krijsen. Ik zocht de hond op en wandelde even later samen over het zandpad naar de poort, waar we rechtsaf sloegen. 

We bleven onder de schaduw van de bomen naast een modderige rivier. Het dier sjokte een paar meter achter me, hijgend van de hitte. Het pad leidde ons langs een stil dorpje in met langs de weg grote buitenhuizen van vakantiegangers uit de grote stad. Een vrouw in driekwartbroek en absoluut geen hoofddoek stond kiwi’s te rapen in haar boomgaard. Ze ving mijn blik en reikte me een paar kiwi’s aan. 

Dieper in het dorp stond een gedenkteken met zwart-witfoto’s. De uitgebleekte gezichten van martelaars uit de Iran-Irakoorlog staarden me aan. Deze oorlog woedde bijna de hele jaren negentig en had aan beide kanten honderdduizenden slachtoffers gemaakt. Pas later zou ik horen wat voor invloed deze tijd op de Iraniërs had gehad.

Rond het middaguur liepen hond en ik het erf weer op. Daar was inmiddels de pleuris was uitgebroken. De vrouw des huizes rende met kartonnen dozen naar de schuur en terug. Mijn gastvrouw stapte druk telefonerend over het erf. Haar broer leek in alle staten terwijl hij de auto voorreed. Het bleek dat de kwartels een huidziekte hadden opgelopen, en ze moesten in vliegende gestrekte naar de dierenarts. ‘Lara, choda ro sjoekr, godzijdank, daar ben je,’ riep de moeder, en ze wenkte me naar de schuur. ‘Zou je me even kunnen helpen de dieren in deze doos te stoppen?’ Terwijl ik de bruinkartonnen doos openhield, legde de moeder kwartel na kwartel op het stro dat ze onderin had uitgespreid. Vervolgens rende ze door de schuurdeur de zonnige buitenlucht in, de doos met aandoenlijk piepend gevogelte in haar armen geklemd. 

De auto scheurde over de kustweg naar een dierenarts in een nabij dorpje, de naam waarvan vertaald worden kan als Nieuwstad. De moeder toeterde naar een witte Peykan die ons rechts inhaalde en klaagde ondertussen steen en been over haar kinderen. ‘Ze gaan ook nooit het huis uit,’ riep ze met een handzwaai naar haar dochter, die oogrollend uit het raam keek, ‘en ze zijn al bijna dertig!’ 

Bij een rood stoplicht werden we plotseling vergezeld door een moraalpolitiewagen. Mijn gastvrouw siste verschrikt, want ze had geen hoofddoek op. Met woedende slagen sloeg ze een doek van geborduurd, blauw katoen om haar achterhoofd. Toen leunde ze over haar moeder heen en klikte het chauffeursraam open terwijl ze met haar andere hand de radio, waaruit verboden Perzische pop klonk, harder zette. De moraalagent had al een notitieboekje tevoorschijn gehaald en noteerde fronsend het kenteken van onze auto. Het licht sprong op groen en de auto kwam weer in beweging. ‘Een nieuwe controletechniek,’ legde mijn gastvrouw geïrriteerd uit, en ze draaide zich naar achteren. ‘Ze noteren de kentekens van auto’s met hidjabloze vrouwen.’ 

Hier had ik iets over gelezen. De volgende dag zou de schurk in kwestie een sms’je krijgen met daarin het verzoek naar het dichtstbijzijnde politiebureau te komen voor een boete en een ferme terechtwijzing over islamitische normen en waarden. Verscheidene online breed uitgemeten schandalen hebben echter uitgewezen dat soms zelfs vrouwen in een chador worden opgeroepen, wat de geloofwaardigheid van de actie enigszins heeft aangetast. 

Bij de dierenarts in Nieuwstad stonden mijn gastvrouw en ik tegen de muur te wachten. De moeder liep ijsberend door de wachtkamer en keek zo nu en dan op haar horloge. Na een halfuur riep de secretaresse achter de balie dat wij aan de beurt waren. We liepen het kantoortje binnen en plaatsten de kartonnen doos op tafel. 

Salam,’ begon de dierenarts hartelijk, en de daaropvolgende minuten werden we overweldigd door een vloedgolf van intense tarof. De arts was kennelijk een oude bekende, want ze ging direct over op privézaken (dit werd steeds voor mij vertaald). ‘Ik heb gehoord dat je onlangs bent getrouwd?’ zei ze terwijl ze zich tot mijn gastvrouw richtte. ‘Ja, met mijn neef,’ antwoordde die opgetogen, waarop iedereen goedkeurend knikte en ik met weinig succes mijn lachen probeerde in te houden. ‘Onze bruidsschat was symbolisch: ik heb een dichtbundel van Ferdowsi gevraagd, en een rode roos.’

Ze had het hier over de mehrieh, begreep ik. Middels dit islamitisch huwelijksmechanisme ontvangt de bruid een schuldbekentenis van de bruidegom. De gangbare bruidsschat is een vooraf vastgestelde hoeveelheid gouden munten, bijvoorbeeld het geboortejaar van de vrouw volgens de Perzische zonnekalender. De vrouw mag de bruidsschat op ieder moment innen, en als de man deze niet kan betalen moet hij de bak in.

Het gebruik was oorspronkelijk bedoeld als alimentatie voor gescheiden vrouwen, maar in de praktijk wordt het vooral gebruikt als scheidingsmiddel voor de vrouw. Het sjiitische recht maakt het namelijk lastig voor vrouwen om van hun man te scheiden, hoewel de Iraanse wet hier iets minder streng in is. 

‘Schurftmijt,’ concludeerde de dierenarts toen. ‘Ik schrijf jullie een zalfje voor. Tweemaal daags insmeren.’ De arts drukte de moeder het recept in de hand en liet ons uit met wederom een desoriënterende sessie handdrukken, knuffels en klapzoenen.

Thuis liepen de moeder en ik gelijk door naar het kwartelhok. Terwijl ik de tegenstribbelende vogeltjes vasthield, smeerde zij hun pootjes in met zalf. Tot mijn afgrijzen werd ons kwartelwerk onderbroken door een slang die zich glibberend om de deurklink wikkelde. 

‘Laat hem maar, hij eet de muizen op,’ wuifde de boerin mijn zorgen weg.

Op de weg terug van de dierenarts hadden we gelukkig nog wel even de tijd om hier te stoppen.
Op de weg terug van de dierenarts hadden we gelukkig nog wel even de tijd om hier te stoppen.